Met pensioen gaan

Met pensioen gaan

De standaardleeftijd waarop iemand met pensioen gaat is in deze pensioenregeling 67 jaar. Op, of voor, de pensioendatum kan uw werknemer het pensioen dat hij heeft opgebouwd, aanpassen aan zijn situatie en wensen van dat moment. Over de keuzes die een werknemer kan maken, leest u hier meer.

Eerder stoppen met werken
Een werknemer die eerder stopt met werken, bouwt minder pensioen op. De werknemer gebruikt de pensioenspaarpot dan voor meer jaren. Of een deelnemer eerder kan stoppen met werken hangt onder meer af van hoeveel pensioen is opgebouwd. Een werknemer die eerder met pensioen wil, kan hiertoe zelf de aanvraagformulieren aanvragen bij de Klantenservice. Dat moet de werknemer minimaal een half jaar voor de aanvang van het deeltijdpensioen doen.

Deeltijdpensioen
Een werknemer kan ook gedeeltelijk met pensioen gaan. Dat betekent dat de werknemer pensioen combineert met parttime werk. De keuze voor deeltijdpensioen kan op zijn vroegst gemaakt worden als een werknemer 60 jaar wordt. Een werknemer kan voor twintig, veertig, zestig of tachtig procent van het arbeidscontract met pensioen. De keuze geldt voor tenminste één jaar. De werknemer blijft tot zijn 67e pensioen opbouwen over de uren die u nog werkt.
 

Uitruil partnerpensioen voor hoger ouderdomspensioen
Door af te zien van partnerpensioen ontvangt iemand een hoger ouderdomspensioen. Dat heet uitruil. Deze keuze is mogelijk als er geen partner (meer) is of als een partner een eigen inkomen heeft.
 

Uitruil ouderdomspensioen voor hoger partnerpensioen
Een achterblijvende partner kan na het overlijden een hoger partnerpensioen krijgen als  de werknemer afziet van een deel van het ouderdomspensioen. Na uitruil kan het partnerpensioen niet meer bedragen dan 70% van het ouderdomspensioen.